-
21 ik wilde net weggaan
ik wilde net weggaan————————ik wilde net weggaan -
22 in deze
in deze -
23 na
na1〈 bijwoord〉♦voorbeelden:allen op één na • tous sauf unde goeden niet te na gesproken • à l'exception des bonser twee huizen op na houden • posséder deux maisons→ link=lang lang————————na2〈 voorzetsel〉1 après♦voorbeelden:na een jaar • un an aprèsna drie uur • après trois heuresna elkaar • l'un après l'autrena u! • après vous! -
24 nabij
nabij1♦voorbeelden:een nabije toekomst • un proche avenirzijn einde is nabij • sa mort est prochezij was een flauwte nabij • elle était sur le point de s'évanouiriets van nabij bekijken • examiner qc. de près————————nabij2〈 voorzetsel〉 -
25 op de schopstoel zitten
op de schopstoel zitten -
26 op het punt staan iets te gaan doen
op het punt staan iets te gaan doenêtre sur le point de faire qc.Deens-Russisch woordenboek > op het punt staan iets te gaan doen
-
27 op trouwen staan
op trouwen staan -
28 plan
♦voorbeelden:een plan van een stad • le plan d'une villehet centraal economisch plan • le plan économique centralgewestelijk plan • plan régional d'aménagement du territoirevolgens plan verlopen • se dérouler selon les planseen ondoordacht plan • un projet hasardeuxhet plan bestaat (om) • l'intention est (de)het plan hebben • avoir l'intention (de)geen plannen hebben (om) • ne pas avoir l'intention (de)een plan laten varen • abandonner un projeteen plan maken • ébaucher un planhet plan opvatten (om) • projeter (de)iets van plan zijn • compter faire qc.iets niet van plan zijn • ne pas avoir l'intention de faire qc.vast van plan zijn • avoir la ferme intention de -
29 schopstoel
♦voorbeelden:¶ op de schopstoel zitten • 〈m.b.t. werk〉 être sur le point d'être renvoyé; 〈m.b.t. onzekerheid〉 être dans l'incertitude -
30 verschillen
1 différer♦voorbeelden:dat verschilt • ça dépendin karakter verschillen • avoir des caractères différentsin leeftijd verschillen • présenter une différence d'âgein aard verschillen • être de nature différentedat verschilt nogal met de vorige uitkomst • ce résultat diffère passablement du précédentzij verschillen op dat punt • ils diffèrent sur ce point -
31 verschillend
verschillend1♦voorbeelden:sommen verschillend oplossen • résoudre des problèmes selon des méthodes différenteshierover wordt verschillend gedacht • les avis sont partagés sur ce point————————verschillend2♦voorbeelden: -
32 we waren net van plan om …
we waren net van plan om …nous étions sur le point de 〈+ onbepaalde wijs〉 -
33 zij verschillen op dat punt
zij verschillen op dat punt -
34 zij was een flauwte nabij
zij was een flauwte nabij -
35 standpunt
♦voorbeelden:van standpunt veranderen • changer d'aviszich op een standpunt stellen • adopter un point de vuezich op het standpunt stellen, dat … • être d'avis que … -
36 been
3 [bot; stof waaruit botten bestaan] os 〈m.〉4 [gebeente] os 〈 meervoud〉♦voorbeelden:dat paard staat hoog op de benen • ce cheval a de longues jambesop het verkeerde been gezet worden • être pris à contre-piedmet het verkeerde been uit bed gestapt zijn • s'être levé du pied gauche〈 figuurlijk〉 iemand tegen het zere been schoppen • toucher qn. au vifeen been breken • se casser la jambede benen nemen • prendre ses jambes à son coumijn been slaapt • j'ai des fourmis dans les jambesde benen strekken • se dégourdir les jambesmet zijn been trekken • tirer la jambeal de hele dag op de been zijn • être sur pied toute la (sainte) journéeer was veel volk op de been • il y avait beaucoup de mondeik kan niet meer op mijn benen staan • je ne tiens plus sur mes jambesiemand weer op de been helpen • remettre qn. sur piedvast op z'n benen staan • être d'aplombslecht ter been zijn • avoir de mauvaises jambeszijn benen uit zijn lijf lopen • se démenerik heb geen benen meer om op te staan • je n'ai plus de jambesbenen als een ooievaar hebben • être monté sur des échasses〈 spreekwoord〉 het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen • ±il faut de plus grandes vertus pour soutenir la bonne fortune que la mauvaise -
37 oog
♦voorbeelden:het oog van de naald • le chas de l'aiguillemet andere ogen bekijken • voir (qc.) d'un autre oeileen blauw oog • un oeil au beurre noiriemand een blauw oog slaan • pocher un oeil à qn.(niet zichtbaar) met het blote, ongewapend oog • (imperceptible) à l'oeil nuhet boze oog • le mauvais oeilbruine ogen hebben • avoir les yeux marrondat is niet met droge ogen aan te zien • 〈 zonder tranen〉 on ne peut s'empêcher de pleurer; 〈 ongeroerd〉 c'est à faire pleurer les pierreseen glazen oog • un oeil de verregrote ogen opzetten • ouvrir de grands yeuxzijn ogen zijn groter dan zijn buik, maag • il a les yeux plus grands que le ventreiets met lede ogen aanzien • voir qc. d'un mauvais oeileen lui oog • un oeil paresseuxeen open oog voor iets hebben • être sensible à qc.geen oog dichtdoen • ne pas fermer l'oeilzijn ogen gebruiken • ouvrir l'oeilzijn ogen niet geloven, vertrouwen • ne pas en croire ses yeuxogen hebben van voren en van achteren • avoir des yeux derrière la têteoog hebben voor • avoir l'oeil pourzijn ogen in zijn zak hebben • avoir les yeux dans sa pochealleen oog hebben voor • n'avoir d'yeux que pourzij maakt haar ogen op • elle se fait les yeuxiemand de ogen openen • ouvrir les yeux à qn.de ogen openhouden • garder les yeux ouvertszich de ogen uit het hoofd schamen • mourir de hontehaar ogen schieten vuur • ses yeux lancent des éclairsde ogen ten hemel slaan • lever les yeux au ciel〈 figuurlijk〉 de ogen sluiten voor iets • fermer les yeux sur qc.zijn ogen uitkijken (aan iets) • ne pas détacher les yeux (de qc.)iemand de ogen uitkrabben • arracher les yeux à qn.iemand de ogen uitsteken • faire mourir qn. d'envieiemand de ogen uitsteken met zijn luxe • écraser qn. de son luxe〈 figuurlijk〉 iemand de ogen verblinden • éblouir qn.door iemands ogen zien • voir par les yeux de qn.door het oog van de naald kruipen • l'échapper belleoog in oog staan met • se trouver nez à nez avecheb je geen ogen in je hoofd? • tu n'as pas les yeux en face des trous?iemand recht in de ogen zien, kijken • regarder qn. en facemet de ogen spreken • avoir des yeux expressifsmet de ogen knipperen • cligner des yeuxiemand iets onder vier ogen zeggen • dire qc. à qn. entre quatre yeuxeen gesprek onder vier ogen • un tête-à-têteuit zijn ogen zien • 〈 opletten〉 ouvrir l'oeil (et le bon); 〈 op zijn hoede zijn〉 être sur le qui-vivevoor iemands ogen • sous les yeux (de qn.)groen en geel voor de ogen worden • être pris de vertigehet schemert mij voor de ogen • j'ai la vue troublezijn ogen aan iets te goed doen • repaître ses yeux de qc.zijn ogen uit zijn hoofd kijken • se repaître de, à la vue de (qc.)zijn ogen goed de kost geven • 〈 ironisch〉 ne pas avoir les yeux dans sa poche; 〈vooral m.b.t. mooie vrouwen〉 se rincer l'oeil〈 spreekwoord〉 oog om oog, tand om tand • oeil pour oeil, dent pour dent2 met een half oog iets zien • entrevoir qc.schele, scheve ogen maken, geven • faire des jalouxiemand met schele ogen aankijken • être jaloux de qn.het oog over iets laten gaan • promener son regard sur qc.〈 figuurlijk〉 het oog op iets laten vallen • avoir des desseins sur qc.zover het oog reikt • à perte de vue〈 figuurlijk〉 het oog slaan, laten vallen op iemand • jeter son dévolu sur qn.het oog treffen • frapper les yeuxaan het oog ontsnappen • se dérober à la vueiets aan het oog onttrekken • masquer qc. à la vuein het oog lopen • se faire remarquerin het oog lopend, vallend • manifestein het oog springen, vallen • sauter aux yeuxmet de ogen verslinden • dévorer (qn., qc.) des yeuxiets (de werkelijkheid) onder ogen zien • regarder qc. (les choses) en facede dood onder ogen zien • envisager la mortonder iemands ogen komen • se présenter devant qn.iets niet onder ogen willen zien • se mentir à soi-mêmeiets onder ogen hebben • avoir qc. sous les yeuxiemand iets onder het oog brengen • 〈 op iets wijzen〉 faire observer qc. à qn.; 〈 aan het verstand brengen〉 essayer de faire comprendre qc. à qn.op het oog • à première vuezo op het oog • à vue d'oeiliemand, iets op het oog hebben • avoir qn., qc. en vueuit het oog raken • disparaître (aux yeux)iets, iemand uit het oog verliezen • perdre qc., qn. de vue(ga) uit mijn ogen! • hors de ma vue!iets voor ogen stellen • 〈 doen zien〉 représenter qc.; 〈 een voorstelling hebben〉 se représenter qc.〈 figuurlijk〉 iets voor ogen houden • garder qc. à l'esprit〈 figuurlijk〉 iemand voor ogen staan • être présent à l'esprit de qn.〈 spreekwoord〉 uit het oog, uit het hart • loin des yeux, loin du coeurhij wierp, gooide zes ogen • il a jeté un six¶ in hun ogen betekent hij niet veel • à leurs yeux, il a peu de valeurmet het oog op • en vue demet het oog hierop • à cet effetiemand naar de ogen zien • ramper devant qn. -
38 houvast
♦voorbeelden: -
39 zwak
zwak1〈 het〉♦voorbeelden:1 iemand in zijn zwak tasten • prendre qn. par son point faible2 een zwak voor iemand of iets hebben • avoir un faible pour qn. ou qc.————————zwak2♦voorbeelden:een zwakke helling • une pente douceeen zwak karakter • un caractère faibleeen zwakke maag hebben • avoir l'estomac délicatin een zwak ogenblik • dans un moment de faiblessehet zwakke punt in een betoog • le point faible d'une argumentationzwak maken • affaiblirzwak worden • s'affaiblirzwak zijn in iets • être faible en qc.de zieke is nog zwak op zijn benen • le malade est encore faible sur ses jambes -
40 puntje
♦voorbeelden:¶ ik zie aan het puntje van je neus dat je jokt • ton nez remue, tu menshet ligt op het puntje van mijn tong • je l'ai sur le bout de la languede puntjes op de i zetten • mettre les points sur les itot in de puntjes verzorgd • 〈m.b.t. uiterlijk〉 tiré à quatre épingles; 〈 tot in de bijzonderheden〉 soigné jusque dans les moindres détailsiets tot in de puntjes kennen • connaître qc. sur le bout des doigtspuntje, puntje, puntje • points de suspension
См. также в других словарях:
Sur le point de — ● Sur le point de au moment de ; très près de : Être sur le point de partir … Encyclopédie Universelle
(Placé) sur un point fixe (Pris) depuis un point fixe. n° 717 — Artiste Lawrence Weiner Année 1992 Technique Installation murale Localisation Jardins des Tuileries, Paris, France Coordonnées … Wikipédia en Français
Dans un temps donné, sur un point donné — ● Dans un temps donné, sur un point donné dans un temps fixé, sur un certain point … Encyclopédie Universelle
point — 1. (poin ; le t se lie : un poin t important ; au pluriel, l s se lie : des points z importants) s. m. 1° Douleur qui point, qui pique. 2° Piqûre que l on fait dans l étoffe avec une aiguille enfilée d un fil. 3° Nom donné à certains… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
Point de lagrange — Pour les articles homonymes, voir Lagrange. Un point de Lagrange (noté L1 à L5), ou, plus rarement, point de libration, est une position de l espace où les champs de gravité de deux corps en orbite l un autour de l autre, et de masses… … Wikipédia en Français
Point de libration — Point de Lagrange Pour les articles homonymes, voir Lagrange. Un point de Lagrange (noté L1 à L5), ou, plus rarement, point de libration, est une position de l espace où les champs de gravité de deux corps en orbite l un autour de l autre, et de… … Wikipédia en Français
Point G féminin — Point G Appareil reproducteur de la femme avec l emplacement du point G (en anglais g spot). Le point de Gräfenberg ou zone de Gräfenberg, communément appelé le « point G », désigne la zone antérieure du vagin correspondant aux glandes… … Wikipédia en Français
sur — 1. (sur) prép. 1° Il marque la situation d une chose à l égard d une autre qui la soutient. 2° Il marque simplement qu un objet est au dessus d un autre, sans que pour cela celui de dessous le soutienne. 3° Il marque la position d un objet… … Dictionnaire de la Langue Française d'Émile Littré
Point virgule — Pour les articles homonymes, voir point et virgule. ; Ponctuation Accolades ( { } ) · Parenthèses ( ( ) ) Chevrons ( … Wikipédia en Français
Sur la vue et les couleurs — Sur la vue et des couleurs (allemand : Über das Sehn und die Farben) est un traité en 2 chapitres et 14 paragraphes[1] publié par Arthur Schopenhauer en mai 1816 à l âge de 28 ans. Pendant l hiver 1813 Schopenhauer avait longuement discuté… … Wikipédia en Français
Point pica — Point (unité) Pour les articles homonymes, voir point. Le point est une ancienne unité de longueur (cf. pied du Roi) qui vaut généralement 1/1728 pied, soit environ 0,188 mm. Le pied est donc divisé en 12 pouces, eux mêmes divisés en 12 lignes de … Wikipédia en Français